Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Poëzie. Alle posts tonen

vrijdag 4 februari 2022

GAAT NIET BEDAARD IN DEZE GOEDE NACHT (Vertaling)

Gaat niet bedaard in deze goede nacht,
Brengt brullend, brandend de oude dag nabij;
Vervloekt, vervloekt dat licht wordt omgebracht.

De wijze aanvaardt het einde zonder klacht,
Omdat zijn woord geen lichtflits schiep, maar hij
Gaat niet bedaard in deze goede nacht.

De weldoener betreurt zijn broze kracht,
Dat daden nooit meer wassen met het tij,
Vervloekt, vervloekt dat licht wordt omgebracht.

De vagebond bezong de zonnepracht,
Leert nu, te laat, de droeve melodij,
Gaat niet bedaard in deze goede nacht.

De kniesoor die naar’t het blinde uitzicht smacht,
Zijn blinde oog kon vonken hemelsblij,
Vervloekt, vervloekt dat licht wordt omgebracht.

O vader, die op droeve hoogte wacht,
Verdoemt en zegent met uw tranen mij.
Gaat niet bedaard in deze goede nacht.
Vervloekt, vervloekt dat licht wordt omgebracht.


Dit gedicht uit december 2010 heb ik geschreven voor de jaarlijkse vertaalwedstrijd van de bibliotheek van Huizen, Laren en Blaricum. Dit is de vertaling van "Do not go gentle into that good night" van Dylan Thomas.
Ik eindigde op de gedeelde tweede t/m vijfde plaats, oftewel ik zat bij de vijf genomineerden, maar heb niet gewonnen.


Je kunt het origneel HIER lezen. Beluisteren op YouTube kan ook:



zondag 7 maart 2021

Hordenhond

© Tejo Coen (foto geplaatst met toestemming van de fotograaf)


Mijn zoon wil niet naar voetbaltraining
mijn dochter niet naar gymnastiek
Ze doen nu iets in de muziek
vrij slaapverwekkend naar mijn mening

Gelukkig is het wat geworden
met onze hond want die loopt horden

Niels Blomberg, 7 oktober 2020


De bibliotheek van Brasschaat houdt ieder jaar een dichtwedstrijd onder de naam "Dichter in Beeld". Met dit gedicht bereikte ik de 7e plaats.
Corona Volente ga ik op 23 september naar Brasschaat voor een poëzieworkshop van Maud Vanhauwaert.

zondag 11 november 2018

Hemelstrepen



Het firmament zit vol verwaaide hemelstrepen
en er is voor de rest geen wolkje aan de lucht.
De homo sapiens toont zijn veroverzucht.
God liet Zijn hemel blauw, de mens heeft ingegrepen.

Zien wij hier het bewijs van menselijke klasse
of juist het vlagvertoon van al die broeikasgassen?

Niels Blomberg, gezien bij de Oostvaardersplassen op 3 november 2018

zaterdag 27 januari 2018

Uitgecheckt

Vandaag ben ik voor één keer uitgecheckt,
  voor één keer van het rechte spoor.
    Ik schoorvoet stevig door.
      De trein vertrekt.

De echo van het fluitsignaal verwaait.
  Perronwind stuwt mij voort, voort,voort
    als koning door de poort
      die openzwaait.

Ik voel me vrij, maar ook een spijbelaar.
  Vandaag maak ik een nieuw begin.
    Nee, nooit meer check ik in;
      vergeet het maar!

Ik klim op het talud en in een wip
  leg ik hem op het juiste spoor.
    Straks is hij middendoor,
      mijn kaart met chip.

12-15 december 2015, 17 april 2016


Geschreven voor de cursus van Co Woudsma, naar aanleiding van een les over de Engelse dichter George Herbert, die leefde rond 1600. Het gedicht moest wel rijmen en metrisch zijn, maar de regels niet even lang.
Dat is een aardige klus voor een plezierdichter. En het is nog een aardig gedicht geworden ook.

vrijdag 26 januari 2018

Stoer

Vanmiddag ga ik mee met Pier.
Dat vind ik mooi, want Pier is stoer.
We hangen samen op de brug.

Het water is hier spiegelglad.
Wij zweven in de grijze lucht
die langzaam onder ons verglijdt.

Pier spuugt. Een kring ontstaat, dijt uit.
Het wolkendek toont siddering
en dan komt alles weer tot rust.

Ik zamel op, ik barst zowat.
Ik spuug de speekselbal heel ver.
De wolken deinen rusteloos.

Pier gooit een kiezel. Opwaarts schiet
een cumulus, de lucht betrekt.
Er vallen druppels op ons neer.

Ik gooi een kei, het firmament
verduistert, slaat zijn donderslag,
die mijlenver te horen is.

Pier pakt de afvalbak, ontwortelt
hem en lazert hem ver weg.
Wij samen in de onweersbui.

Dan pak ik Pier. Hij vliegt, hij valt.
De wolkbreuk spoelt de wereld schoon
en sleurt mij mee de diepte in.

Vanmiddag ging Pier mee met mij.
Dat vond hij mooi, want ik was stoer.
We hingen samen op de brug.

12-14 september 2012


Mijn meest succesvolle gedicht ooit, namelijk in de top-20 van de Turing Nationale Gedichten Wedstrijd 2013. Ik mocht plaatsnemen op het podium van de hoofdstedelijke stadsschouwburg, waar ik een uur lang alleen maar heb lopen glunderen.
De opdracht van Co Woudsma was: “Schrijf een gedicht dat realistisch begint en fantastisch/surrealistisch eindigt.”

Om nog even na te glunderen hierbij het juryrapport van Turing, waaraan ik niets meer heb toe te voegen:

Bedrieglijk eenvoudig gedicht, heel ritmisch. Het begint allemaal heel opgewekt, maar gaandeweg wordt de toon dreigender. Pier en ik nemen de lezer mee naar de brug, waar ze naar het water kijken. Het is een grijze dag, windstil, de lucht wordt in het water gespiegeld, zodat een omkering ontstaat tussen boven en beneden, lucht en water, wolken en rivier. Daarna gaat het crescendo: Pier spuugt - de wolken trillen; Ik spuug - rusteloze deining; Pier gooit een kiezer; er schiet een cumulus omhoog; het begint te druppelen; ik gooi een kei - het begint te donderen; Pier kiepert de afvalcontainer in het water - het onweer barst los; ik pakt Pier, die in het water valt en ik mee de diepte in sleurt - intussen is de zondvloed losgebarsten, de wereld wordt weer schoon, want Pier en ik zijn verdwenen. Het slot klinkt erg laconiek: het herneemt de eerste strofe, in de verleden tijd weliswaar: Pier en ik zijn niet meer.

vrijdag 19 januari 2018

Warrelwereld

Of het nu vriest, of meer lijkt op de tropen,
ik ga tussen de middag altijd lopen,
een rondje op het industrieterrein.

De wereld om mij heen begint te draaien.

Ik kan niet door, nee echt van kans geen schijn.
Het voelt nog instabieler dan bezopen,
met evenwichtsproblemen die mij nopen
te wachten tot er and’re mensen zijn.

De wereld zal zijn rondjes blijven draaien

en ik laat al mijn kopzorgen verwaaien.
Ik sta weer met twee benen op de grond.
Mijn evenwichtsorgaan laat mij soms zwaaien,
maar toch ben ik nog lang niet naar de haaien.
Ik loop nog heel wat middagpauzes rond.


8-12 maart 2017


Er zijn weinig dingen die de poëzie zo stimuleren als deadlines, en dan vooral deadlines opgesteld door derden, in mijn geval Aldichter, Co Woudsma of waterschap Zuiderzeeland. Jezelf een deadline opleggen werkt gewoon niet, omdat hij niet echt hard is.
Maar er één uitzondering voor mij: 14 maart, pi-dag (immers 3/14 voor Amerikanen). Vanaf 2011 schrijf ik dan ieder jaar een pi-sonnet.

In 2017 was dat een mooi moment om iets over mijn trammelant van de maanden daarvoor te vertellen.
Op 10 november 2016 begon alles te draaien. “Beroerte in kleine hersenen”, zei de neuroloog, “maar heel heel heel misschien toch iets met het evenwichtsorgaan”.
Later bleek het precies andersom: een beroerte is zeer onwaarschijnlijk en alles wijst op “iets” in het evenwichtsorgaan.
Volledig herstel blijkt een kwestie van lange adem; na ruim een jaar is het wel veel beter, maar nog niet over.

woensdag 17 januari 2018

Wortel twee

Oermoeder van onredelijkheid
ongeteld en ongenoemd
heb je Pythagoras
met twee gelijke benen
teruggestort op aarde

Dit is de breuk
in zijn wereldbeeld
De bron waaruit
de overaftelbare vloed
zich stort in de poriën
van de geest

Oermoeder van onredelijkheid
verdeel nog één keer de taart
in ongelijke stukken

Niels Blomberg, 15 augustus 2007


Ik heb een paar wiskundige gedichten geschreven, en dit vind ik mijn beste, al vereist hij enige uitleg.

Voor iedereen is tellen de eerste kennismaking met getallen: 1, 2, 3, 4, 5. Later leer je nog 0 en een enkeling stuit op -1, -2, -3, -4, -5. Al deze getallen samen noemen wiskundigen de gehele getallen.

Tussen de gehele getallen liggen weer andere getallen: breuken. Dat zijn twee gehele getallen gedeeld door elkaar: 1/2, 5/19, -123/13. Wiskundigen noemen de gehele getallen en de breuken samen de rationale getallen, oftewel de getallen die voor de ratio, de menselijke rede, te bevatten zijn; hiermee moet de kosmos toch wel te beschrijven zijn.

Pythagoras, een Griekse filosoof, wiskundige en sekteleider uit de zesde eeuw voor Christus, beschreef inderdaad de kosmos met rationale getallen. Bewegende hemellichamen produceren een toon, dat wij niet horen omdat we eraan gewend zijn. Alle hemellichamen samen bewegen voort in de harmonie der sferen, omdat hun diverse tonen zijn in perfecte harmonische verhouding zijn, zeg maar de perfecte breuk opleveren.

Maar Pythagoras is natuurlijk bekend geworden van de stelling: a²+b²=c² en daarmee riep hij de ellende over zichzelf af.
Neem nou een gelijkbenige rechthoekige driehoek. De zijden a en b zijn gelijk, voor het gemak zeggen we dat ze 1 zijn. Dus zijn ook a² en b² gelijk aan 1. Hieruit volgt c²=1+1=2.

Hoe groot is de schuine zijde c ? Het is een getal tussen 1 en 2, maar het is geen breuk. Het lukt namelijk niet om een breuk te vinden die vermenigvuldigd met zichzelf 2 oplevert.
En zo werd voor het eerst in de geschiedenis aangetoond, dat er tussen gehele getallen ook niet-breuken zitten. Wiskundige noemen ze irrationale getallen, ik houd het op onredelijke getallen.

Wij zeggen nu dat c gelijk is aan wortel 2. Daardoor klinkt het nog redelijk, maar dat zal het nooit echt worden. Helaas hebben we de onredelijke getallen wel nodig om de kosmos te beschrijven.



maandag 15 januari 2018

Ik zie het in je ogen

Ik zie het in je ogen,
de kleur van helder water.
Een bergbeek met geklater
die nimmer op zal drogen.

Ik zie het in je wangen,
de kleur van zuidenwinden.
De hartstocht der beminden,
de stormen van verlangen.

Ik zie het op je lippen,
de kleur van zomernachten.
Onstuimige gedachten
versierd met sterrenstippen.

De kleuren van het leven
zijn op je lijf geschreven.

December 2002


Mijn doorbraak, niets meer of minder. Ik beschouwde mezelf als een verdienstelijk rijmelaar, maar dat was het dan ook. Toch deed ik mee aan de eerste Almeerse poëzieprijs met als thema “Kleur”. Op 30 januari 2003 won ik tot mijn eigen verbijstering.
De slotzin (dus de slotstrofe) gaf de doorslag. Hij staat nu in steen in het centrum van Almere-Haven in het kader van een project waarbij dichtregels werd aangebracht op gevels van een woningbouwvereniging.


zondag 14 januari 2018

Glazen kooi

Je hangt tussen hemel en aarde.
Op jacobsladders stijgen
dames en heren
gevangen in hun eigen sores
op naar klaroengeschal en plastic Petrus.

Je denkt aan dood en eeuwigheid,
maar je kunt beter verbinding zoeken
met de sleuteldrager.

29 januari, 18 september 2012


In het online poëzietijdschrift Meander Magazine kan een beginnend (maar ook een gelauwerd) dichter zijn poëzie plaatsen na beoordeling van de redactie.
Mijn eerste poging was in de zomer van 2011. Helaas werden mijn gedichten afgewezen. De reden leek mij helder: te begrijpelijk. Enige mate van onbegrijpelijkheid strekt bij Meander tot aanbeveling.
In januari 2012 schreef ik in korte tijd 3 volstrekt onbegrijpelijke gedichten, die ik ruim een half jaar later opstuurde naar Meander. En inderdaad, ze werden dit keer wel geplaatst.
Dit gedicht heb ik geschreven voor Nienke, die vast kwam te zitten in de lift van station Amsterdam Muiderpoort.

dinsdag 9 januari 2018

Halve sloot (Mijn eerste kennismaking met het fenomeen waterschap)

Met elf jaar ben ik uit de stad vertrokken:
ons Amsterdamse huis was niet zo groot.
Al bleef het voor zo’n stadsgezin wel gokken,
een huis met voor- en achtertuin bleef lokken.
Als bonus kregen wij een halve sloot.

De andere helft was van een boerenweide,
dat ons een groen en zwart-bont uitzicht bood
en dat ons van de buren onderscheidde.
Ja wel, ons plattelandsgevoel gedijde
en dan vooral door onze halve sloot.

Het waterschap verscheen daar in ons leven
toen het een grote schoonmaakbeurt gebood.
In onderwaterwieden niet bedreven
vertraagden onze werkzaamheden even.
Gevolg: een boete voor een halve sloot.

Zo’n sloten-schoonmaakbeurt kon ons benauwen.
De boer werd onze redder in de nood.
Hij deed de hele sloot bij alle schouwen
totdat men ook zijn weiland ging bebouwen.
Dat was het einde van de halve sloot.

mei 2008


Dit is mijn persoonlijkste watergedicht. Het is waar gebeurd en wel nadat mijn ouders in 1970 besloten van Amsterdam naar Abcoude te verhuizen.


zaterdag 6 januari 2018

Tipula Paludosa

Jij lieve lome langpootmug
Je wilt niet drinken van mijn bloed
Je maakt geen jeukbult op mijn rug
Daarom werk jij op mijn gemoed
Zo goeiig en niet al te vlug

Een wesp of bromvlieg op een ruit
Maakt veel geluid, is hoorbaar boos
Hij bromt en zoemt: ik wil eruit
Jij vliegt maar wat, zo hulpeloos
Jouw lijdensweg kent geen geluid

Ik pak je heel voorzichtig aan
Je friemelt in mijn holle hand
Ik laat je buitenshuis weer gaan
Maar wesp en vlieg maak ik van kant
Door met de mepper te gaan slaan

10 mei 1999


De naam van dit gedicht is een knipoog naar het gedicht van Guido Gezelle genaamd “Het schrijverke (Gyrinus Natans)”. Ik heb later meer gedichten geschreven over insecten, allemaal met de wetenschappelijke naam als titel.

De versvorm heet kwintijn. Meestal is het rijmschema abaab, maar hier is gekozen voor ababa.
Merk verder op dat ik destijds koos voor de interpunctie van drs.P : geen leestekens aan het einde van de regel en iedere regel beginnen met een hoofdletter. Hoewel ik tegenwoordig liever aan proza-interpunctie doen, zal ik dit gedicht niet aanpassen; dat vind ik geschiedvervalsing.


woensdag 3 januari 2018

November rain



Die lange solo van November Rain
moet bij mijn uitvaart door de aula schallen.
Gitaarmuziek verbroedert iedereen.

Mij geeft hij kippenvel van top tot teen,
hij zal ook vast mijn nageslacht bevallen,
die lange solo van November Rain.

Al roept een enkeling ontzet ‘O neen’,
dat zal mijn laatste feestje niet vergallen.
Gitaarmuziek verbroedert iedereen.

De erfenis leidt niet tot handgemeen,
wanneer men daar beluistert met zijn allen
die lange solo van November Rain.

Er is niet enkel treurnis en geween,
als Guns N’ Roses uit de speakers knallen.
Gitaarmuziek verbroedert iedereen.

Wanneer ik daarna lig onder mijn steen,
dan hoor ik de muziek der hemelhallen:
die lange solo van November Rain.
Gitaarmuziek verbroedert iedereen.


9+20 februari, 29 april 2013


Dit gedicht is geschreven voor de Plantagepoëzieprijs 2013. Het thema was uitvaart.
Ik was een van de drie genomineerde en eindigde derde. Winnaar was tv-presentator Cees van Ede, een beminnelijk mens, die zich tegen mij verontschuldigde dat hij had gewonnen. Inmiddels is hij trouwens organisator van deze poëzieprijs.

De meeste poëziewedstrijden hebben 10 genomineerden, voornamelijk om een redelijk volle zal te krijgen bij de prijsuitreiking. In de Amsterdamse Plantage speelt dit niet. Het is een deftige buurt rondom dierentuin Artis, vol met kunstminnaars die toch wel op komen draven.
De hoofdprijs wordt steevast vervaardigd door een in de Plantage woonachtige beeldend kunstenaar.

Deze versvorm heet villanelle. Zoals het blijkt uit dit gedicht zijn er 2 refreinregels, die op elkaar rijmen.
De beroemdste villanelle is van Dylan Thomas en heet “Do not go gentle into that good night”.


dinsdag 2 januari 2018

Spiegel van de wereld

Het aardoog ben ik, dat de luchten ziet.
Al heel wat mensenlevens ga ik mee.
Wie aan mijn wieg stond, heeft dat niet verteld.
Mijn leeftijd is verdronken in de tijd.

De wolkenhemel trekt in mij voorbij.
Ik deel haar wilde woede en haar rust.
Haar hemeltranen staan mij tot de rand.
Haar trage gang verkleurt mijn stalen blik.

Mijn opgetrokken wenkbrauw is verkort.
Beschermer van het land werd struikelblok
in de hoogwatergeul. Wat overbleef:
een bruggenhoofd, tribune van het oog

en één keer in uw leven ook een eiland.
Dan ben en zie ik niet, ik ben een kuil
verdronken voor de veiligheid van u
die ziet, vergeet het niet, vertel het door.

26-29 april, 7 mei 2017


Dit watergedicht is geschreven bij het kunstwerk Neerslag van Paul de Kort, voor de wedstrijd “Dichter bij de IJssel”.
Het is niet het winnende gedicht, maar wel goed genoeg voor de bundel wedstrijd “Dichter op de IJssel 2017”. Ook heb ik het op 16 juli 2017 mogen voorlezen bij theeschenkerij Oudeniel in de uiterwaarden bij Hattem.

Het kunstwerk is een drijvende schaal in het meertje De Kromme kolk, dat ontstaan is bij een dijkdoorbraak. Deze schaal ziet er anders uit naarmate er meer of minder water in staat.
Wanneer de Kromme Kolk is ontstaan, is niet bekend. De kolk staat op de Hottinger kaart die uit 1783 dateert, maar kan wel drie eeuwen ouder zijn. De meeste kolken dateren uit de 15e en 16e eeuw.
Opvallend is dat de Kromme Kolk de vorm van de Werverdijk heeft bepaald: die ligt er met een kleine bocht omheen. Dat gebeurde wel vaker, omdat de plaats van de dijkdoorbraak diep was uitgesleten.
Het grootste deel van de Werversdijk is vervangen door een brug voor het project Hoogwatergeul Veessen-Wapenveld in het kader van Ruimte voor de rivier. Alleen het ronde stukje dijk om de Kromme Kolk ligt er nog.


dinsdag 19 december 2017

Ode aan de spreeuwenzwerm


Je verduistert de lage zon,
en dan bij toverslag
geef je vrije doorgang
aan het roze licht.

Je bent het superbrein
dat de koers bepaalt.
Geen spreeuw kent de weg.
Jij leidt ze met strakke hand

als een bataljon soldaten
maar dan zonder vijand,
als een troep lemmingen
maar dan zonder afgrond.

Je bent de vogel Roc
met spreeuwen als lichaamscellen,
westenwinden als vis vitalis,
einders als habitat.

Sindbad wil ik zijn,
opgetild door jou
zal ik de hemel zien.

10-23 november 2014


De opdracht van Co Woudsma was: “Ode aan iets concreets of abstracts (een filosofische laag is fijn)”
Dat gaf mij de mogelijkheid om iets te schrijven over mijn favoriete natuurfenomeen; elke herfst is het weer genieten.
Helaas had de jury van Turing in 2017 onvoldoende oog voor dit gedicht. Daarom maar geblogd.





woensdag 6 december 2017

Plaats Delict

Ooit was ik een eenvoudige straathoek
Eén van de vier
Eén van de duizenden
Ontmoetingsplaats van ijle lucht en vluchtige groeten
Met voeten getreden door gehaaste voorbijgangers
Een stoeprand en wat tegels met los zand aan elkaar liggend
Dekmantel voor water, gas en licht
Scheidsvlak tussen boven- en onderwereld

Maar nu ben ik PD
De bron van kruit en DNA
Met strenge krijtstrepen die verhalen van moord en doodslag
Een strakgespannen lint bakent mijn grens af
Mijn afgunstige broers torsen mijn bewonderaars

Wie mij vroeger schielijk betrad, stopt nu op eerbiedige afstand
Wereldwijd verschijnt mijn beeld op tv
Ieder anker is op mij gezakt
Lenzen speuren naar mijn geheimen
Microfoons smeken om mijn waarheid

Maar ik zwijg
Laat niets los
In het belang van het onderzoek

1 november+ 30 december 2010, 3+5 januari 2011


Dit was een opdracht van Co Woudsma: schrijf een gedicht vanuit het perspectief van een ding.
Voor de Turing Nationale gedichtenwedstrijd stuurde ik deze in en met succes: hij kwam in de top-100 en daarmee in de bundel “De toverhazelaar”.


donderdag 23 november 2017

Klimaatverandering

De smalle marge
tussen vast en vloeibaar
tussen vriezen en dooien
tussen Titanic en Behouden Huis

De dunne lijn
tussen palmboom en poolgras
tussen zomergast en winterkoning
tussen permafrost en tropenjaren

De zijden draad
tussen pompen en verzuipen
tussen zondvloed en wantij
tussen Afsluitdijk en overloopgebied

Het slappe koord
tussen kille cijfers en verhitte debatten
tussen hoog verheven en diep gezonken
tussen zoetwaterbekken en zout in open wonden

Het vangnet
van laat maar komen
van laat maar waaien
of toch maar aanpakken

De springplank
van dromen en daden
van leven en welzijn
van na ons geen zondvloed

Maart 2009


Dit watergedicht is voorgelezen tijdens de waterontmoeting 2009 in het waterschapschapshuis te Lelystad.


vrijdag 3 november 2017

ZE

Ze hebben van die dreigende gezichten,
die zwijgen in een onbekende taal.
Je weet niet goed waarvan ze je betichten;
ze lijken niet bereid dat toe te lichten.
Hun blik is harder dan het hardste staal.

Minuten en seconden lijken eeuwen.
Ze kijken je maar steeds misprijzend aan.
Je voelt je als geworpen voor de leeuwen.
Het liefste zou je naar ze willen schreeuwen:
Vertel me wat ik jullie heb misdaan!

Ze naderen als woeste watergolven.
Je dobbert in de grote mensenzee
en hebt al gauw het onderspit gedolven.
De stormen huilen als een roedel wolven.
Dan laat je los en huil je met ze mee.

19 mei – 11 juni 2013


Voor Aldichter schreef ik meestal vrije verzen, maar soms kon ik het niet laten. Dit kwintijn is een mooi voorbeeld.
Het is waarschijnlijk mijn meest beklemmende gedicht. Of rijm en metrum de beklemming versterken of juist verminderen, lijkt me iets voor exegeten. Ik hoop natuurlijk op versterking.

De leden van Aldichter waardeerden dit gedicht zo, dat het werd opgenomen in de losbladige bundel “Los-Vast”.
Ook is het geplaatst in de rubriek Wassily’s frisbee van literair tijdschrift Schoon Schip 2013/4.


zondag 22 oktober 2017

Herfst 2005


Hoge Vaart, Almere 2005

Schiphol-Rijk 2017

Noorderplassen, Almere 2018


Terwijl de najaarswind
de eik uit zijn jas helpt,
buigt het lentegroene riet
diep in het dorre blad

Rupsen dansen
in de nesten
van vertrokken
zomergasten

De verkilde golfstroom botst
op de laatste ijsberg
waar een ijsbeer dobbert
in de vertrekkende zon

Waar mijn verhit gemoed
stuk slaat op mijn koude ziel
ben jij dichtbij
maar onbereikbaar

Mijn wereld tolt
nog steeds om haar as
maar dan wel
een kwartslag gekanteld


6 november 2005


In oktober 2005 eerder zag ik het jonge riet op de wallekant langs de Hoge Vaart in Almere. Dat kwam mooi uit, want toen moest ik voor de Almere poëzieprijs 2006 een gedicht schrijven met het thema “Anders”. Dat werd bovenstaand gedicht.
Op 19 oktober 2017 zag ik hetzelfde bij Schiphol-Rijk. Toen was ik net bezig mijn zestig beste gedichten te selecteren voor de bundel
LX gedichten. Dat was dus een aardig bruggetje.
Op 14 oktober 2018 zag het weer, nu bij de Almeerse Noorderplassen. Het was die dag ongeveer 20 graden. Wat eerst een leuk poëtisch voorval leek, wordt nu toch een zorgelijk bewijs van de opwarming van de aarde.


woensdag 18 oktober 2017

Wintertijd

De zorgeloze wereld is ontgroend
Haar schoonheid is verdord, vergeeld
verknisperd onder haastige voeten

Door bladloze bomen schijnt de fletse zon
te moe om de wolken open te scheuren
De poolwind doet zomergasten uitgeleide

De dag heeft zijn extra uur ingeslikt
De lengende nacht schuift aan bij het avondmaal
twijfelzone tussen schemerlicht en schemerlamp

Verlichte vensters slaan wakken in het duister
kijkdozen van geborgenheid
cocons waarin vlinders voor eeuwig vliegen

De eerste schaatser kerft zijn naam in het ijs

November 2006


Dit watergedicht is geschreven voor Ballade, het werknemersblad van waterschap Zuiderzeeland. Het nummer van december 2006 had als thema “sfeer”.
Dit gedicht is ook bij Aldichter voorgelezen toen de wintertijd inging.


dinsdag 17 oktober 2017

Terp van vertrouwen

De terp van vertrouwen staat pal
op klompenvoeten in de Lelyvelden
die watervrij en waterpas
reiken tot aan bedijkte horizonten

Tussen zijn tenen kronkelen
wortels van de vierduizendjaar oude eik
Samen rijzen ze hoog boven de wereld
dwars door het glazen plafond

De bladerkroon speelt met zonnestralen
zoals ooit de kabbelzee
Vlekken dansen over het gras
zoals ze hinkelden tussen het koraal

Op de top van de terp
kun je zien voorbij de horizon
voorbij de dijk van veiligheid
tot aan het land van tienduizend jaar

Op de top van de terp
ruik je de zee van onzekerheid
hoor je golven van twijfel
dobbelen op het basalt

Aan de voet van de terp
lig je vierduizend jaar
ontspannen te slapen, uitgeteld
onder dekens van geborgenheid

januari 2008


Dit watergedicht is geschreven voor de Watertafel van 14 januari 2008 met als thema veiligheid. De Watertafel was een feestelijke bijeenkomst van de Flevolandse overheid: gemeenten, provincie en natuurlijk het organiserende waterschap.

Het is een prettig hermetisch gedicht geworden, als je het zonder uitleg leest. Mijn schoonfamilie heeft mij ooit gevraagd het voor te lezen boven het open graf van een tante.

Toch zit er een helder idee achter:
Voor alle polders van Flevoland geldt, dat ze zodanig zijn beveiligd dat ze niet meer dan eens in 4000 jaar overstromen.
Alleen Noord- en Zuid-Holland zouden nog veiliger moeten zijn: eens in de 10000 jaar.

Mijn eerste associatie bij veiligheid was: terp. Verschil tussen terp en dijk: bij een terp kun je zelf zorgen dat het droog blijft, bij een dijk moet je vertrouwen dat anderen de dijk onderhouden

En tot slot: NAP is het glazen plafond van Flevoland.