Naar het vorige hoofdstuk "Aanvaardbare verschillen tussen versregels"
Naar het volgende hoofdstuk "Vijfvoetige jambe, een populair metrum met een onduidelijke scandeermaat"
Van december 1987 t/m januari 1990 hadden Jaap Bakker en Pieter Nieuwint in "Onze Taal" een rubriek getiteld "Het Lyrisch Lab". Officieel ging het over het schrijven van liedtekst, maar voor vormvaste dichters was er ook veel nuttigs.
In juni 1988 schreef Nieuwint over Pentameter en muzikaliteit, waarin hij de vijfvoetige jambe (of trocheus) aanbeveelt in een lied.
Hij schrijft wat wij ook al hadden geconstateerd: "bij vrouwelijk eindigende trocheïsche, maar ook bij mannelijk eindigende jambische viervoeten, treden er tussen de regels geen adempauzes op."
Dat sluit goed aan bij onze notatie: beide worden weergegeven als 2 rustloze tweevoetsmaten:
| vrouwelijke viervoetige trocheus | — | ∪ | — | ∪ | | | — | ∪ | — | ∪ |
| mannelijke viervoetige jambe | ∪ | — | ∪ | — | | | ∪ | — | ∪ | — |
Nieuwint schrijft over "de ‘natuurlijkheid’ van de vierkwartsmaat, die ons allen als het ware in het bloed zit." Dit sluit mooi aan bij de bovenstaande tweevoetsmaten, die al eerder zijn gepresenteerd als vierkwartsmaat. (Eigenlijk vooral de trocheïsche variant, maar alleen een kniesoor let daarop.)
Maar Nieuwint telt anders: "Het is die in onze genen ingebakken vierkwartsmaat die ervoor zorgt dat we tussen vijfvoetige regels automatisch pauzes inlassen, zodanig dat de regel met de erop volgende pauze twee vierkwartsmaten, dat wil zeggen acht voeten, vult." Oftewel: hij telt geen lettergrepen, maar versvoeten. Daarom voeren we nu de viervoetsmaat in, twee keer zolang als de tweevoetsmaat:
| vrouwelijke viervoetige trocheus | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | |||||||||
| mannelijk vijfvoetige trocheus | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | | | — | : | ÷ | : | ÷ | : | ÷ | : |
| vrouwelijke vijfvoetige trocheus | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | | | — | ∪ | ÷ | : | ÷ | : | ÷ | : |
| mannelijke viervoetige jambe | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | |||||||||
| mannelijke vijfvoetige jambe | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | | | ∪ | — | : | ÷ | : | ÷ | : | ÷ |
| vrouwelijke vijfvoetige jambe | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | ∪ | — | | | ∪ | — | ∪ | ÷ | : | ÷ | : | ÷ |
Ondanks de verschillen zien we de overeenkomsten: de viervoeters zijn rustloos, de vijfvoeters hebben 3 heffingsrusten (÷).
Voordat we verder gaan met tweevoetsmaat vs. viervoetsmaat, volgt nu een kleine zijsprong: het vierheffingsvers. In de middeleeuwen waren de meeste liederen heffingsverzen: een vast aantal heffingen en een variabel aantal dalingen. Vooral populair waren 4 heffingen per versregel, oftewel het vierheffingsvers.
Recent heeft Kila van der Starre aangetoond dat het vierheffingsvers onverminderd populair en niet is gestopt na ongeveer 1700, zoals lang is beweerd door neerlandici. Hier zijn wat aardige links:
- Interview op Nemo Kennislink
- De "figuren en tabellen" van het online artikel. Om het hele artikel te kunnen lezen moet je betalen, maar de getoonde pagina toont wat aardige voorbeelden.
- Een zijsprong binnen een zijsprong: Pieter Nieuwint beweert in "Het Lyrisch Lab" dat de driekwartsmaat niet bestaat: "Welnu, elke driekwartsmaat, zou je kunnen zeggen, is in feite een twee- of vierkwartsmaat waarbij de afzonderlijke halve of kwartnoten onderverdeeld zijn in drieën. Het bewijs hiervoor wordt geleverd door het feit dat het aantal maten bij een wals nooit een veelvoud is van drie, maar altijd van twee of vier".
Yke Schotanus geeft Een ‘heel simpel liedje’ is een best wel ingewikkeld onderwerp een voorbeeld van zo'n combinatie van een melodie die is opgebouwd uit groepjes van 4 driekwartsmaten.
In het commentaar noemt Van der Starre dit een vierheffingsvers. (Wat Schotanus weer ontkent, maar dat hebben we even niet gelezen.)
Waarom deze zijsprong? Omdat dit aantoont dat groeperen per 4 heffingen in ons bloed zit, bij heffings- en metrische verzen.
Met dit in gedachten bekijken we een tabel, die we al eerder hebben getoond:
| Versregellengte | # Versvoeten |
# tellen jambe trocheus |
# tellen dactylus amfibrachys anapest |
|---|---|---|---|
| 1 tweevoetsmaat | 1 of 2 | 4 | 6 |
| 2 tweevoetsmaten | 3 of 4 | 8 | 12 |
| 3 tweevoetsmaten | 5 of 6 | 12 | 18 |
| 4 tweevoetsmaten |
7 of 8 alexandrijn |
16 | n.v.t. |
| 1 viervoetsmaat | 3 of 4 | 8 | 12 |
| 2 viervoetsmaten | 5 - 8 | 16 | n.v.t. |
3 of 4 versvoeten kunnen we beschouwen als 2 tweevoetsmaten of 1 viervoetsmaat; dat is hetzelfde.
7 of 8 versvoeten en de alexandrijn zijn te schrijven als 4 tweevoetsmaten of 2 viervoetsmaten. Ook hier is geen onderscheid.
1 of 2 versvoeten vormen 1 tweevoetsmaat. Als we over willen gaan naar viervoetsmaat, dan zijn er twee opties (die allebei kunnen voorkomen!):
- Er ontstaat een viervoetsmaat met 2 heffingsrusten. Dit lijkt me onwaarschijnlijk, maar ik weet het net zeker.
- Groepje van 2 versregels vormen samen 1 viervoetsmaat. Dit lijkt mij waarschijnlijk, maar ook dat weet ik niet zeker.
Anders ligt het bij 5 of 6 heffingen: 3 tweevoetsmaten is nooit hetzelfde als 2 viervoetsmaten.
Als we bovenstaande bijdragen van Nieuwint, Van de Starre en Schotanus bekijken, dan is er een gemeenschappelijk element: het gaat om liedteksten. Het is ook vooral de melodie, die groepjes van 4 heffingen maakt; de tekst gaat daarin mee.
Dus is de vraag: hoe gedragen versregels van 5 of 6 heffingen zich als ze zich niet hoeven te houden aan een melodie? Dit bekijken we in het volgende hoofdstuk.
Naar het volgende hoofdstuk "Vijfvoetige jambe, een populair metrum met een onduidelijke scandeermaat"
Naar het vorige hoofdstuk "Aanvaardbare verschillen tussen versregels"
Terug naar de startpagina "Van metrum en versvoeten naar ritme en scandeermaten"
Geen opmerkingen:
Een reactie posten