Naar het vorige hoofdstuk "Jambische tweevoetsmaat"
Naar het volgende hoofdstuk "Super- en subheffingen; de alexandrijn"
Dit intermezzo is bedoeld als korte terugblik op de vorige hoofdstukken, maar vooral om een fout te bespreken die ik helaas vaak aantref: onterecht gebruik van meer dan één type versvoet in een gedicht.
Een belangrijk uitgangspunt van dit betoog is dat in één gedicht maar één versvoet wordt gebruikt. Deze versvoet bepaalt het ritme van versregels, de strofen en het hele gedicht.
Natuurlijk kan het voorkomen dat er van versvoet wordt gewisseld, maar het gaat om uitzonderingen, die we verder niet bespreken.
Zoals bekend kijken andere bronnen alleen binnen versregels. Ook daar gaat het vrijwel altijd over gedichten met één type versvoet.
Toch vind je met enige regelmaat voorbeelden van versregels met meer dan één versvoettype, terwijl daartoe geen reden is. Naar mijn vaste overtuiging snappen deze auteurs eigenlijk niets van metrum. (Zo, dat lucht op.)
De belangrijkste reden voor een versvoetwissel is het onbegrip over onvolledige versvoeten aan het einde van versregels. Het metrum van de limerick ziet er als volgt uit:
∪—∪ | ∪—∪ | ∪—∪
∪—∪ | ∪—∪ | ∪—∪
∪—∪ | ∪—
∪—∪ | ∪—
∪—∪ | ∪—∪ | ∪—∪
Op de Nederlandse Wikipedia-pagina over de limerick staat: Een limerick is een dichtvorm van vijf regels met een vrij strak metrum: twee regels met drie amfibrachen (∪—∪ ∪—∪ ∪—∪), twee regels met een amfibrachys en een jambe (∪—∪ ∪—) en afgesloten door weer een regel met drie amfibrachen.
Inderdaad ziet een mannelijk (onvolledige) amfibrachys eruit als een jambe, maar het is wezenlijk anders: er is geen sprake van verandering van metrumwisseling, wat hier wel wordt gesuggereerd.
Wij hebben gezien, dat de ontbrekende lettergreep als zichtbaar is in de scandeermaat, maar ook als je geen gebruik maakt van scandeermaten, dan is er geen enkele reden om zomaar een versvoetwisseling te introduceren aan het einde van versregels.
Uitgangspunt is dat één gedicht één versvoet gebruikt, totdat het tegendeel bewezen.
Maar het kan nog bonter. Een standaardwerk over poëzie is "A handbook of poetics & The new book of forms" van Lewis Turco. Hierin staan zeer leerzame zaken, maar ook een paar verrassingen. Zo gaat Turco van 4 i.p.v. 5 basisversvoeten: de amfibrachys rekent hij tot de exoten, een categorie met onder andere de eerder genoemde spondee (de versvoet bestaande uit twee heffingen die samen met de dactylus voorkomt in homerische hexameters).
Als we kijken naar Turco's definitie van de limerick, dan zien we waarom hij de amfibrachys niet nodig acht. Anders dan in bovenstaand voorbeeld bevat Turco's limerick alleen mannelijk rijm. Dat is in principe geen bezwaar, maar wel als hieruit merkwaardige conclusies worden getrokken:
∪— | ∪∪— | ∪∪—
∪— | ∪∪— | ∪∪—
∪— | ∪∪—
∪— | ∪∪—
∪— | ∪∪— | ∪∪—
Volgens Turco is een limerickregel dus een jambe gevolgd door 1 of 2 anapesten. Dat is tegen de basisregel in:
Bij het indelen in versvoeten beginnen we vooraan in de versregel. Een eventuele onvolledige versvoet is altijd de laatste.
Naar het volgende hoofdstuk "Super- en subheffingen; de alexandrijn"
Naar het vorige hoofdstuk "Jambische tweevoetsmaat"
Terug naar de startpagina "Van metrum en versvoeten naar ritme en scandeermaten"
Geen opmerkingen:
Een reactie posten