zaterdag 10 juni 2017

Hoe lees ik een gedicht?

vergeet wat juf vertelde over
stil
en
in je hoofd

laat je tong krulleklakken
leg je hart er bovenop
laat alle zinnen zingen in
binnen- buiten- bovenrijm
laat klinkers en medeklinkers
leven en medeleven

houd geen ramen of deuren gesloten
wanneer de woorden waaien
in de zucht van de ziedende zee
in de voorjaarswind die de
eeuwige sneeuw ontdooit

vergeet wat juf vertelde over
stil
en in je hoofd

Idee: 24 september 2007
Gedicht: 19 september +4 november 2009


Hier heb ik dus twee jaar op lopen broeden. Ik herinner me weinig meer van het broedproces.
Waarschijnlijk heb ik het idee min of meer opgeschreven en heb ik – met Aldichter als stok achter de deur – daarvan later dit gedicht gemaakt.
Ik herinner me dat de Aldichters hierover wel enthousiast waren, maar toch is het tot keer toe geweigerd voor een bundel.

Ik doe niet zo vaak wat met vorm, maar deze moest echt gecententreerd.

maandag 5 juni 2017

Stoel

Je was het centrum van de jongedameskamer
die ik schroomvoetend binnentrad,
bondgenoot van kantineborden en bazaarbestek.
Het rafelde in je bekleding van ontijdloos ribfluweel.
Je veren zuchtten onder ons gewicht.

De borden braken, de vorken roestten,
maar jij bleef het centrum van een uitdijend universum,
laatste toevlucht in de stoelendans.
Je werd opnieuw bekleed, je veren
vernieuwd waardoor je steeg tot grote hoogte.

Laatst, toen ik stiekem naar je keek zag ik de eerste rafel.

Binnenkort gaat de oudste op kamers.

27 november 2007


Geschreven voor Aldichter en opgenomen in hun bundel “Los-Vast”.

Het is volledig autobiografisch, kortom mijn Knausgård-gedichtje.
De stoel in kwestie staat 10 jaar later nog steeds in de huiskamer, hoewel de laatste regel wellicht anders suggereert.


Keukenla

Ik ben de keukenla na het feest.
De muziek is verstomd, de kaarsen gedoofd,
de geuren verwaaid, de nadorst gelest,
en zelfs de wijnvlek is in zout gesmoord.
De keukenla zoekt naar de kurkentrekker.

Ik ben de keukenla van het leven.
Bestek uit Grootmoeders tijd ligt naast
het HEMA-mesje van twee kwartjes
op een bedje van vergeelde spaarkaarten.
Alles kent zijn plaats in de microkosmos.

Ik ben de keukenla van de taal.
Ik leg de woorden zij aan zij
die ik gered heb uit de goot
of die ik plukte op de tong.
Ik poets ze op met zilverglans.

juli 2007


Geschreven voor Aldichter en opgenomen in hun bundel “Los-Vast”.

Oorspronkelijk geïnspireerd op het feit, dat je nooit iets kunt vinden in de keukenla als welwillende gasten menen te moeten opruimen.


Verjaardagskalender

De geborgenheid toonde onbekende
namen in sierlijk schoonschrift.
Jaartallen vertelden vergeelde
verhalen van oma’s en tantes.
Silhouetten uit een zwart-wit verleden
kleurden de verdwenen eeuw.

Het schoonschrift is verbleekt,
onleesbaar en ongrijpbaar.
Met grote blijdschap zijn
nieuwe namen toegevoegd.
Zelfs de vorige eeuw
is niet meer wat het is geweest.

19-28 augustus 2007


Bij Aldichter zitten veel herschrijvers, dichters die eindeloos blijven prutsen aan hun gedicht, die jaren later nog met wijzigingen komen.
Ik ben niet zo’n herschrijver geworden; op een goed moment is een gedicht gewoon af.

Uitzondering is dit gedicht, dat een paar keer herschreven is, omdat het niet duidelijk bleek. Uiteindelijk heb ik alle wijzigingen geschrapt; de finale versie lijkt heel erg op het origineel.

Als kind was ik gefascineerd door de jaartallen op de verjaardagskalender, vooral die uit 18-zoveel. Mijn 19e eeuw eindigde pas met de dood van mijn Oma in 1992. Mijn 21e eeuw begon 8 jaar later met de geboorte van een neefje.


Koningen van de mat

Twee jassen waren het hoogste doel
Geen lijnen bepaalden onze dribbel
onze slalom
onze sliding
Hi Ha Hondepoep

Geen keeper weerstond onze punter
binnenkant paal
Geen lat keerde ons schot
op het keukenraam
Geen achterlijn dwong ons in de hoek
Driemaal corner pinanti

Wij waren de koningen
van het poepveld
Keizer waren we en Cruijff

Koningen waren we
op weg naar de zege in de Europacup
naar de triomfboog in Barcelona
naar het koningsdrama in München

Troonsafstand deden we pas
wanneer we om half zes
huiswaarts keerden
met eretekens van gras
op de hermelijnen mantels

April 2007


Aldichter heeft dode-dichteravonden, waarbij leven en werken een overleden dichter centraal staan. Op 27 september 2007 was het de beurt aan de Griekse dichter Konstantínos Kaváfis.
Het gedicht “Alexandrijnse koningen” beschrijft de kroning van de drie zonen van Cleopatra. Net als hun moeder zijn ze zetbaas van het Romeinse rijk, maar dat mag de pret niet drukken: het feest is mooi en de drank is gratis.
Bovenstaand gedicht is losjes geïnspireerd op “Alexandrijnse koningen”.


Mail

Een rijstebrijberg van
ongekookte hersenspinsels.
Woorddiarree vol
onverteerde brokken.
Une mer à lire.

Wie vooruit wil
Blackberry’t zich door
plafonds van kogelvrij glas
met in zijn spoor
ellenlange handtekeningen,
lintwormen van ijdelheid.

CC-vliegen zoemzeuren om mijn hoofd
in vicieuze cirkels
van hoor en wederhoor
van spraak en tegenspraak
van voorwaarts en gauw vergeten.

Maar
            ooit,
                        ooit,
                                    ooit,
als het laatste woord is gezegd,
als de laatste discussie is gesloten,
als het scherm zich vult met geuren en kleuren,

dan ontpopt woordeloos
de vlinder.

Ik sluit het laatste venster
en laat hem vrij.

27 februari 2006, 25 maart 2006


Geschreven voor de Aldichteravond van april 2006. De vormvastheid is geheel verdwenen.
Is het gedicht gedateerd? Een beetje: de Blackberry is vervangen door de iPhone.
E-mail is veelal vervangen door Whatsapp, Facebook, Snapchat en wat dies meer zij, maar in het bedrijfsleven geldt dat eigenlijk niet; daar gaat het bombardement van e-mail gewoon door.


vrijdag 2 juni 2017

NONDEJU

n
on
non
deju
nonde
judeju
nondeju
dejudeju
nonnonnon
nonnondeju
dejunondeju
dejudejudeju
nonnonnondeju
nondejunondeju


Geschreven op Valentijnsdag 2017

zondag 14 mei 2017

Slivovitsj

Ik heb je voor het laatst gesproken
in de pruimentijd.
De mooiste, de blauwste pruimen
waren voor de slivovitsj.
We toostten op ons land,
onze taal, onze toekomst.
Toen gingen we uiteen,
elk naar ons eigen godshuis.

Ik heb je voor het laatst gehoord
bij de pruimenboom.
Je sprak fel en vurig
opgezweept door slivovitsj.
Je sprak van een nieuw land,
een nieuwe taal, een nieuwe toekomst.
Toen gingen we uiteen,
elk naar ons eigen front.

Ik heb je voor het laatst gezien
bedekt met pruimenbladeren.
Mijn hoofd bonsde, mijn keel schroeide,
als na een nacht goedkope slivovitsj.
Je lag daar zonder land,
zonder taal, zonder toekomst.
Ik sloot je ogen en ging
terug naar mijn eigen leegte.

maart/april 2005


Toen ik lid in 2005 werd van Aldichter, had ik mij voorgenomen rijmend te blijven schrijven.
Maar gelukkig was de verleiding om dat niet te doen te groot. Dit gedicht is nog behoorlijk vormvast: alle drie de strofen hebben dezelfde opbouw.

De aanleiding om dit gedicht te schrijven was een avond over Bosnië op 25 mei 2005. Er waren veel Bosnische vluchtelingen in de zaal; de Joegoslavië-oorlog was nog vers in ieders geheugen. Aldichter zou de avond met gedichten opluisteren. Dit is een van de twee gedichten die ik toen heb voorgelezen, tijdens mijn eerste publieke optreden na de prijsuitreiking van de Almeerse poëzieprijs.

Het is lastig om een gedicht te schrijven over een land waarvan je eigenlijk niets weet, behalve dat ze er pruimenjenever stoken, slivovitsj.

Later is het onder de titel Bosnische Slivovitsj geplaatst in Schoon Schip 2013/4, in de rubriek Wassily’s frisbee.
Ook is hij opgenomen in het boekwerk ter ere van 20 jaar Aldichter, “Klinkers en Medeklinkers”


Oud zeer

De sfeer van onbesproken
hangt ijskoud om me heen.
Ik voel me heel alleen
met honderdduizend spoken
onzichtbaar weggedoken
als lijken in het veen.
De geur van onbesproken
hangt ijskoud om me heen.

Soms is het uitgebroken
dwars door een muur van steen.
En dan schrikt iedereen,
want niemand heeft geroken
de geur van onbesproken.

Januari 2005

In januari 2003 won ik de eerste Almeerse poëzieprijs. Toch duurde het nog tot januari 2005 voordat ik de stoute schoenen aantrok en mij aanmeldde bij Aldichter.
Op 30 januari 2005 nam ik dit gedicht mee. Notulist Mark van der Schaaf noteerde:

“Nieuweling Niels Blomberg won in 2002 al eens de Almere Poëzieprijs en wilde na de nominatie dit jaar er nu eindelijk eens werk van maken. Uitstekend idee. Hij bracht ‘Oud zeer’ in. Een rondeel dat in zijn bewoordingen ongeveer de stijl is die ik zoek. Niels had zijn rijmwoorden goed gekozen. Geen blijk van rijmdwang, een compact geheel met enkele aardige vondsten. De mooiste? Onzichtbaar weggedoken / als lijken in het veen. ”

Op 17 november 2010 heb ik dit voorgelezen in de bibliotheek van Almere tijdens de avond van “Nederland Leest”, rond “ De Grote Zaal” van Jacoba van Velde.