vrijdag 26 januari 2018

Stoer

Vanmiddag ga ik mee met Pier.
Dat vind ik mooi, want Pier is stoer.
We hangen samen op de brug.

Het water is hier spiegelglad.
Wij zweven in de grijze lucht
die langzaam onder ons verglijdt.

Pier spuugt. Een kring ontstaat, dijt uit.
Het wolkendek toont siddering
en dan komt alles weer tot rust.

Ik zamel op, ik barst zowat.
Ik spuug de speekselbal heel ver.
De wolken deinen rusteloos.

Pier gooit een kiezel. Opwaarts schiet
een cumulus, de lucht betrekt.
Er vallen druppels op ons neer.

Ik gooi een kei, het firmament
verduistert, slaat zijn donderslag,
die mijlenver te horen is.

Pier pakt de afvalbak, ontwortelt
hem en lazert hem ver weg.
Wij samen in de onweersbui.

Dan pak ik Pier. Hij vliegt, hij valt.
De wolkbreuk spoelt de wereld schoon
en sleurt mij mee de diepte in.

Vanmiddag ging Pier mee met mij.
Dat vond hij mooi, want ik was stoer.
We hingen samen op de brug.

12-14 september 2012


Mijn meest succesvolle gedicht ooit, namelijk in de top-20 van de Turing Nationale Gedichten Wedstrijd 2013. Ik mocht plaatsnemen op het podium van de hoofdstedelijke stadsschouwburg, waar ik een uur lang alleen maar heb lopen glunderen.
De opdracht van Co Woudsma was: “Schrijf een gedicht dat realistisch begint en fantastisch/surrealistisch eindigt.”

Om nog even na te glunderen hierbij het juryrapport van Turing, waaraan ik niets meer heb toe te voegen:

Bedrieglijk eenvoudig gedicht, heel ritmisch. Het begint allemaal heel opgewekt, maar gaandeweg wordt de toon dreigender. Pier en ik nemen de lezer mee naar de brug, waar ze naar het water kijken. Het is een grijze dag, windstil, de lucht wordt in het water gespiegeld, zodat een omkering ontstaat tussen boven en beneden, lucht en water, wolken en rivier. Daarna gaat het crescendo: Pier spuugt - de wolken trillen; Ik spuug - rusteloze deining; Pier gooit een kiezer; er schiet een cumulus omhoog; het begint te druppelen; ik gooi een kei - het begint te donderen; Pier kiepert de afvalcontainer in het water - het onweer barst los; ik pakt Pier, die in het water valt en ik mee de diepte in sleurt - intussen is de zondvloed losgebarsten, de wereld wordt weer schoon, want Pier en ik zijn verdwenen. Het slot klinkt erg laconiek: het herneemt de eerste strofe, in de verleden tijd weliswaar: Pier en ik zijn niet meer.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten