maandag 26 juni 2017

Sterfelijkheid

Hij is het treiterbroertje van de dood
lust geen beschuit met muisjes
en laat zich ook niet zien bij
het eerste trekje
het eerste glaasje
het eerste meisje

Met zotskap en narrenlach
wacht hij je op
halverwege
Schaterlachend duwt hij
oneindig opzij

Samen op de wip
stuwt hij je steeds hoger
en hoger tot je
benen bungelen boven
peilloze diepten tot je
schreeuwt dat je eraf moet omdat je nog
te veel te doen en
te weinig tijd hebt

Als je weer met beide benen
op de grond staat
hef je samen het
glas
en
wacht
op de komst van zijn grote broer

9 juli 2009, april 2010


Een echt midlifecrisisgedicht, geschreven voor Aldichter.
Eén van mijn vier gedichten in “Klinkers en Medeklinkers”, het overzicht van 20 jaar Aldichter.



vrijdag 16 juni 2017

Kopstation

Ik ben het eindpunt
stootblok waarop je
zoektocht te pletter loopt
Raap je bezittingen
bij elkaar en stap
uit

Ik ben het nooit beloofde land
Leg je rusteloze hoofd
in mijn moederschoot
Hang je kleren in mijn kast
strijk de reiskreukels
uit je feestkledij

Ik ben de ankerplaats
veilige haven en blok
aan je been
Wij dansen samen
op gepaste afstand
tot
jij bezwijkt voor de lokroep
van de eerste trein

31 juli, 13 augustus, 26+27 oktober 2009


Er zijn van die gedichten, waar je persoonlijk aan gehecht bent, maar die door anderen minder worden gewaardeerd. Dit is er zo’n gedicht.

In oktober 2009 is het voorgelezen bij Aldichter, maar het is te licht bevonden voor de bundel “Klinkers en Medeklinkers” met daarin een overzicht van 20 jaar Aldichter.



zondag 11 juni 2017

Getemd

De schuimgetopte westenwind
stuwt schepen voort van golf naar golf
Familie bidt voor man en muis
De meeuw zweeft langs

Het giert in kieren van basalt
rukt plagend aan het autostuur
De fiets bevecht de tegenwind
Het valkje bidt

Het ingekaderd polderland
Het Paaseiland van spierwit staal
De koppen in de wind gedraaid
De strijd begint

Drie zwaarden maaien in het rond
verhakselen orkaangeweld
tot elektronenstroom
De storm getemd

30 augustus, 24 september 2008, 5 juni 2017


Geschreven voor Aldichter, een ode aan de Flevolandse windmolens.
Deze windmolens zijn niet onomstreden. Ik vind het prachtig, al die blaasbloemen in het vlakke Flevolandse polderland.

Dit is trouwens een van de weinige gedichten die ik heb aangepast bij de selectie van de 60 gedichten.




OUDE VERSIE OP YOUTUBE

Gezeefd

Zeven
Zeventig
Zevenenzeventig

Veertien
Eenentwintig
Tweeënveertig

Vijfendertig
Zesenvijftig
Drieënzestig

Achtentwintig
Vierentachtig

Negenenveertig
Eenennegentig

Achtennegentig

22 oktober 2016


Even iets nerderigs tussendoor: alle 14 zevenvouden onder de honderd als volgt gerangschikt:
- Binnen elke strofe staan de getallen gerangschikt van klein naar groot
- Strofe 1 bevat getallen met de cijfers 0 en 7
- Strofe 2 bevat getallen met de cijfers 1, 2 en 4
- Strofe 3 bevat getallen met de cijfers 3, 5 en 6
- In strofe 4 is bij 2 getallen uit strofe 2 de 1 vervangen door 8
- In strofe 5 is bij 2 getallen uit strofe 2 de 2 vervangen door 9
- In strofe 6 is bij 1 getal uit strofe 2 de 1 vervangen door 8 EN de 2 door 9

Ik speelde al een tijdje met het idee van een kwadratensonnet, met bovenstaande strofe-indeling. Over een rijmschema was ik nog aan het nadenken. Dit niet-rijmende kwadratensonnet is een opwarmertje; een rijmend exemplaar is nog niet gemaakt.



Malieveld

De bus vervoert mij naar het Malieveld,
omdat ik aan Den Haag wil laten weten
welk schrijnend onrecht mij al maanden kwelt.

Ik draag een spandoek dat mijn boodschap meldt.
Terwijl ik een patatje sta te eten
ziet iedereen dat ook mijn mening telt.

Er valt een hoosbui die niet is voorspeld.
Die heeft mijn spandoekletters aangevreten.
Mijn boodschap is besmeurd, denk ik ontsteld.

Op naar het Binnenhof! De meute relt!
Mijn spandoek valt, wordt in de drab gesmeten
als een politiepaard komt aangesneld.

Nee, denk ik op de terugtocht, voor geen geld
zet ik nog één voet op het Malieveld.

7-12 februari 2016


Geschreven voor de wedstrijd “Schrijf een hekeldicht over Den Haag” van Daan de Ligt (Den Haag, 11 maart 1953 – aldaar, 22 augustus 2016)
Een sonnet met een uniek rijmschema. Zolang er geen tweede wordt geschreven, geef ik deze versvorm geen naam.



Yumitripela

Ons eerste samenzijn na vele jaren
herinnert ons er allebei weer aan.

    We waren stoer in woorden en gebaren,
    je zag ons altijd met zijn drieën gaan.
    Hij wilde steeds een nieuwe weg inslaan,
    want nooit zag hij problemen of gevaren.

Vooraf zag ik wat praktische bezwaren,
nu ben ik blij om hier naast jou te staan.

    Hij wou iets groots doen tijdens volle maan.
    Wij hadden heel veel mitsen, heel veel maren.
    Hij moest het klusje in zijn eentje klaren
    en dat heeft hij uiteindelijk gedaan.

Terwijl we zwijgend in ons glaasje staren,
proef ik opeens de ziltheid van een traan.

15 december 2014


De titel behoeft enige uitleg.
Eind vorige eeuw las ik “Language change: Progress or Decay?” van Jean Aitchison. Daarin beschreef ze het Tok Pisin, een mengtaal uit Papoea-Nieuw-Guinea, die een Engelse woordenschat combineert met grammaticaregels van diverse Papoeatalen.
Het boek meldde twee varianten van “wij”: het inclusieve wij “yumi” en het exclusieve wij “mipela”. Het inclusief en exclusief slaat op de tweede persoon: hoort de toegesprokene er nu wel of niet bij? In de woorddelen “yu” en “mi” is het Engels duidelijk herkenbaar. “Pela” is de meervoudsuitgang, verwant aan het Engels “fellow”.

Toen Google en Wikepedia hun intrede deden heb ik dit nog eens nagezocht, en het bleek nog mooier. De Engelse Wikipedia legde uit dat er nog meer vormen van het inclusieve wij zijn. Naast yumi is yumipela in gebruik. Voor precies 2 personen (1 ik en 1 jij dus) heb je yumitupela.
Voor 3 personen heb je yumitripela. Dit heeft 2 betekenissen: 1 ik en 2 keer jij OF 1 ik,1 jij en 1 afwezige hij/zij. Die laatste betekenis vond ik fascinerend. Ik schreef een ellenlang blank vers, d.w.z. een gedicht dat geen rijm heeft, maar wel metrum.

Op 14 december 2014 overleed plotseling de (plezier)dichter Cees van der Pluijm. De medewerkers van Het Vrije Vers reageerden geschokt; velen hadden hem persoonlijk gekend. De voorpagina vulde zich met toepasselijke gedichten.
Ik herschreef “Yumitripela” als een Nijmeegs sonnet, een creatie van Cees, waarbij het octaaf zit verweven in het sestet. Op het Vrije Vers schreef ik: “Deze versie bevalt me eigenlijk beter dan het origineel.”



Alleen maar minnen in 2014



We krijgen straks een jaar van louter liefde.
Het amoureuze tijdperk gaat beginnen.
Al wat in vroeger tijd de mensheid griefde
zal zijn verdwenen in jaar van minnen.

Dit wordt het einde van de babyflessen.
Geen Nutrilon stroomt nog langs babykinnen.
Een borst om zuigelingendorst te lessen
is ruim aanwezig in het jaar van minnen.

Er zal geen plaats meer zijn voor filantropen.
Geen hooggeschatte held mag nog naar binnen.
De grenzen gaan voor zware jongens open
want volgend jaar is het het jaar van minnen.

O ja, het wordt ook lastig bij het pinnen.
Geen plussen zijn er in het jaar van minnen.

september 2013; 21 januari 2016: leestekens aan het einde van de regels toegevoegd.


Hij schreeuwde gewoon om een gedicht, deze kop op de voorpagina van De Volkskrant van maandag 16 september 2013

Begin 2010 werd ik lid van Het Vrije Vers, de website voor en door plezierdichters.
Deze naam met knipoog – vrije verzen zijn juist minder welkom – is bedacht door oprichter Quirien van Haelen.
Meestal plaats is mijn verzen op het forum. Dat leidt tot bedankjes en/of discussie.
De redactie zet de beste gedichten op de voorpagina.

Zonder succes gestuurd naar Ballustrade in mei 2014



Doodsmuziek

Het is je allerlaatste ijdelheid:
muziek die je wilt horen bij je kist.
Nog één keer toon je muzikaliteit,
nog één keer kun je je gevoelens kwijt.

Je hoopt dat het aanwezigen verfrist,
gevoelens van verdriet en rouw ten spijt.
Of is het doodgewoon een lage list
en hoop je dat je nog meer wordt gemist?

Wellicht kies ik voor vrolijkheid uit Wenen,
al wordt het allemaal wel erg Rieu-ig.
Ik hoop dat de aanwezigen het snappen.

Ik hoop op glimlach en op jubeltenen.
Radetzky Mars, die vind ik altijd sjeuig.
Zou iedereen wel weten hoe te klappen?

rond de jaarwisseling 2008/2009


Op 11 januari 2009 was deze te lezen op de plezierdichtershyve.
Het Nederlandse sociale netwerk Hyves heeft bestaan van 22 september 2004 tot en met 2 december 2013. Oude bijdragen zijn helaas niet meer te lezen
In februari 2008 startte Musonius (Martijn Breeman) de plezierdichtershyve. Ik was geloof ik lid 2 (na Musonius).



Woon-werkverkeer

Op vrijdag 12 september 2008 had Nederland de op twee na langste file ooit.
Dit sonnet is geschreven in die file.


Er staat een aardig meisje in de file;
we rijden kilometers zijn aan zij.
Ik heb dat meisje lief van ganser ziele
en denk vertwijfeld: wat voelt zij voor mij?

Mijn auto nadert haar, 't is kielekiele;
geen motorrijder komt aan ons voorbij.
Maar dan! Ik let niet op! Wel potverdriele!
Nu hebben beide auto's averij.

Ik houd het schadeformulier gereed,
maar eerst moet zij haar vriend nog even bellen
dat zij de afspraak never nooit meer haalt.

Omdat ik ook wel zien kan dat ze baalt
maak ik haar blij door aan haar voor te stellen
dat zij vanavond meegaat als mijn date.

13 september 2008


Op 13 september 2008 was deze te lezen op de plezierdichtershyve.
Het Nederlandse sociale netwerk Hyves heeft bestaan van 22 september 2004 tot en met 2 december 2013. Oude bijdragen zijn helaas niet meer te lezen
In februari 2008 startte Musonius (Martijn Breeman) de plezierdichtershyve. Ik was geloof ik lid 2 (na Musonius).



Dodenherdenking, voor Pa

Dat Jappenkamp, dat was een zware tijd
waarover je nooit echt hebt willen praten.
Soms heb je wat details wel losgelaten,
soms wilde je wat anekdotes kwijt.

Ik weet dat jullie niet tezamen zaten,
zes mensen over Java uitgespreid.
En alle zes nog net op tijd bevrijd,
bevrijding die voor and’ren niet mocht baten.

Hoe heb je ze verwerkt, die lange jaren?
Je uitte altijd non-verbaal bezwaren
wanneer ik over dood sprak voor de grap.

Al leerde ik van Rotterdamse doden,
van hongerwinter, Putten en van Joden,
mijn oorlog, dat was Java en de Jap.

13-29 oktober 1998

Mijn dichtcarrière begon als een midlifecrisis. Op mijn 40e besefte ik dat als ik nog dichter wilde worden het nu moest gebeuren.
Tussen mei 1998 en april 1999 heb ik 45 sonnetten geschreven. Natuurlijk niet allemaal even goed, maar er zitten wel een paar fraaie tussen.

Voorgelezen op 4 mei (!) 2015 bij de begrafenis van mijn vader